Er is iets ouderwets fijns aan een kaart waar iemand echt aan gezeten heeft. Niet snel besteld, niet in een uur bedrukt, maar draadje voor draadje in elkaar gezet aan de keukentafel. Kerstkaarten borduren op papier is precies zo’n bezigheid: het ziet er ingewikkelder uit dan het is, en je hebt er verrassend weinig voor nodig.
Deze kaart heeft twee zuurstokken die elkaar kruisen, een grote strik eromheen en een paar hulstblaadjes eronder. In rood en donkergroen op wit karton, met wat rode en gouden halfparels als sneeuw eromheen. Klinkt als iets voor gevorderden, maar het bestaat uit twee steken die je binnen tien minuten onder de knie hebt.
Wat je nodig hebt
Voor één kaart:
- Stevig wit karton van 250 tot 300 gram, ongeveer 12 bij 15 cm
- Rood karton voor de achtergrondkaart, net iets groter zodat je een randje overhoudt
- Borduurgaren in rood en donkergroen, gewoon zes-draads garen van de handwerkwinkel
- Een borduurnaald met een scherpe punt, maat 7 tot 9
- Een prikpen of een dikke naald met kurk eromheen
- Een prikmat, of anders een oude muismat of een dik stuk vilt
- Maskingtape
- Rode en gouden halfparels, plus een beetje lijm
- Een zwarte fineliner voor de tekst
Het patroon teken je zelf op gewoon printpapier, of je print het uit. Twee zuurstokken die elkaar kruisen, een strik op het kruispunt, drie hulstblaadjes eronder. Zet met een potlood puntjes op alle lijnen, ongeveer vier millimeter uit elkaar. Die puntjes worden straks je gaatjes.
De gaatjes prikken
Leg het patroon op het witte karton en zet het vast met twee stukjes maskingtape. Niet met plakband, dat trekt het papier kapot als je het eraf haalt.
Leg het geheel op je prikmat en prik alle puntjes door. Rustig aan, recht naar beneden, niet schuin. Een schuin gaatje geeft later een scheve steek. Blijf minstens een centimeter van de rand van de kaart, anders scheurt het papier in.
Als je klaar bent haal je het patroon eruit. Wat overblijft is een sterrenhemel van gaatjes waar je het patroon al vaag in kunt zien. Dat moment is eerlijk gezegd het leukste deel.
Borduren, twee steken en klaar
Splits je garen: van de zes draadjes gebruik je er drie. Zes is te dik voor papier en trekt de gaatjes uit.
Voor alle contouren, dus de omtrek van de zuurstokken, de strik en de hulstblaadjes, gebruik je de stiksteek. Je komt omhoog door gaatje één, gaat naar beneden in gaatje twee, komt weer omhoog in gaatje drie en gaat dan terug naar beneden in gaatje twee. Zo krijg je een doorlopende lijn zonder onderbrekingen. Dat is precies de strakke lijn die je op de foto ziet.
Voor de strepen in de zuurstokken en de nerven in de hulstblaadjes gebruik je losse rechte steken: gewoon van de ene kant naar de andere, telkens een gaatje opschuiven. Bij de rode zuurstok lopen ze schuin, bij de groene precies andersom, en juist door dat verschil in richting krijgen de twee stokken hun eigen karakter.
Een paar dingen die het verschil maken:
- Trek niet te strak. Papier vergeeft dat niet zoals stof. Als je een gaatje uitscheurt is het zichtbaar en blijft het zichtbaar.
- Werk van binnen naar buiten: eerst de zuurstokken, dan de strik eroverheen, dan de hulst. Zo liggen de lagen goed over elkaar.
- Werk je draad aan de achterkant af met een stukje maskingtape in plaats van een knoopje. Knoopjes maken bulten die je aan de voorkant ziet.
De afwerking
Als je klaar bent zit de achterkant vol met draadjes en tape. Dat los je op met een tweede vel wit papier dat je er met een lijmstift overheen plakt, of door de kaart op het rode karton te plakken zodat het geheel een randje krijgt.
Dan de halfparels. Verdeel ze niet netjes, juist niet. Een paar rode, een paar gouden, een beetje willekeurig verspreid over het witte vlak. Zet er met de fineliner ook wat losse stipjes tussen. Dat maakt het speels in plaats van symmetrisch.
Onderaan schrijf je je tekst met de fineliner, in schuinschrift. Oefen eerst op een kladje, want dit is het enige onderdeel dat je niet meer kunt overdoen. Twee kleine hulsttakjes links en rechts van de tekst maken het af.
Doe je dit met kinderen?
Het prikken is het perfecte kinderklusje. Ze mogen op de prikmat alle gaatjes doorduwen terwijl jij het patroon vasthoudt, en dat is precies het soort werk waar ze eindeloos geconcentreerd bij blijven. Het borduren zelf is vanaf een jaar of acht te doen, mits je een patroon met wat grotere afstanden maakt. Onder die leeftijd geef je ze de halfparels: lijmen en plakken kunnen ze prima zelf, en het resultaat wordt er alleen maar losser van.
Reken op een uur voor je eerste kaart. Voor de tweede heb je nog een halfuur nodig, want tegen die tijd zit de steek in je vingers. En dan zit je zomaar, met een kop koffie ernaast, aan een stapeltje kaarten waar niemand overheen kijkt.
