De vorige kaarten in deze reeks draaiden om één techniek. Deze draait om iets anders: de vraag hoe je een geborduurde patch en een handgemaakte kaart in elkaar laat overlopen zodat het één geheel wordt in plaats van een sticker op karton.
Want dat is het risico bij patches. Je plakt een prachtig gedetailleerd rendier op een leeg wit vlak en het blijft er ergens los op liggen. Op deze kaart gebeurt dat niet, en dat komt door twee dingen: de rand die niet kaarsrecht loopt, en de kleine motiefjes die je er zelf omheen borduurt.
Wat je nodig hebt
Voor één kaart:
- Wit karton van 250 gram, vierkant, ongeveer 13 bij 13 cm
- Borduurgaren in paars, donkergroen, rood en goudgeel
- Een borduurnaald met stompe punt
- Een prikpen of dikke naald
- Een prikmat, oude muismat of dik vilt
- Een geborduurde patch, hier een zittend rendier met sjaal
- Textiellijm
- Potlood
Een liniaal staat er bewust niet bij. Daar komen we zo op.
Een goede patch uitkiezen
Niet elke patch werkt op papier. Waar je op let:
- Een witte of lichte vilten rand rondom. Die tilt de patch los van het karton en geeft een klein schaduwrandje, waardoor hij eruitziet alsof hij op de kaart ligt in plaats van erin gedrukt.
- Formaat rond de zes tot acht centimeter. Groter en je houdt geen ruimte over voor de rand en de tekst, kleiner en hij verdrinkt in het wit.
- Een paar kleuren die je kunt herhalen. Bij dit rendier zijn dat rood en bruin, en die rode sjaal komt straks terug in de besjes en de sterretjes eromheen.
Dat laatste punt is het belangrijkste. Als je in de kleine motiefjes de kleuren van de patch herhaalt, ga je vanzelf denken dat het één geheel is.
Strijkpatches strijk je overigens niet op karton, dat gaat mis. Die lijmlaag werkt op stof. Je plakt hem alsnog met textiellijm.
De rand, en waarom je hem niet moet meten
Bij de kaart met de kerstboom zetten we de rand uit met liniaal en potlood, op precies één centimeter afstand. Hier doen we het anders: je tekent de lijn uit de losse hand.
Dat voelt tegennatuurlijk, maar kijk goed naar zo’n kaart en je ziet dat de stiklijn licht meegolft. Hij is niet slordig, alleen niet machinaal. En juist dat is wat je oog leest als handgemaakt.
Praktisch: teken met potlood een vierkant op ongeveer een centimeter van de rand, zonder liniaal, gewoon in één beweging. Zet daarlangs stipjes op ongeveer een centimeter, ook op het oog. In elke hoek zet je vier puntjes voor een schuin kruisje, dus een X in plaats van een plus.
Prik alles door en werk de rand met de rijgsteek: omhoog, naar beneden, stukje overslaan, omhoog. De schuine hoekkruisjes zijn twee losse steken over elkaar heen.
De kleine motiefjes eromheen
Dit is het deel dat de kaart maakt, en het gaat sneller dan je denkt.
Een hulsttakje bestaat uit twee blaadjes en drie besjes. Elk blaadje is een klein blad dat je in contoursteek borduurt: zes tot acht gaatjes in een puntige ovaal, en dan gewoon van gaatje naar gaatje. De besjes zijn drie franse knoopjes in rood, of drie kleine kraaltjes als je die steek nog niet doet.
Een sterretje is nog eenvoudiger. Vijf gaatjes in een rondje, en dan telkens van een gaatje naar het gaatje aan de overkant. Twee of drie steken en hij staat er.
Waar je ze neerzet is belangrijker dan hoe netjes ze zijn:
- Verdeel ze ongelijk. Twee links van de patch, drie rechts, eentje wat hoger dan de rest.
- Houd minstens een centimeter afstand tot de patch. Te dichtbij en het wordt druk.
- Wissel groot en klein af. Een hulsttakje naast een klein sterretje leest rustiger dan twee even grote motiefjes naast elkaar.
Blijf ook weg uit de onderste strook van de kaart. Daar komt je tekst.
Plakken en afwerken
Leg de patch en alle motiefjes eerst droog neer voor je iets vastzet. Schuif net zo lang tot het klopt en maak er dan met potlood twee kleine hoekmarkeringen bij, zodat je hem terugvindt.
Dun laagje textiellijm op de achterkant van de patch, aandrukken, een halfuur laten liggen met een boek erop. Doe dit als laatste stap in het borduren maar wel voor het schrijven, want een verschoven patch corrigeer je niet meer.
De draadjes aan de achterkant werk je af met maskingtape, niet met knoopjes. Plak er daarna een tweede vel wit papier overheen en je kaart is ook vanbinnen af.
De tekst
Onderaan schrijf je met een fineliner. Een woordgrapje past goed bij dit soort kaarten, en één woord in de kleur van de patch, hier dus rood, koppelt de tekst aan de afbeelding.
Schrijf eerst op een kladje en meet hoe breed je zin wordt. Te grote letters die halverwege niet meer passen zijn de klassieke misser, en op dit punt in het proces heb je al een halfuur geborduurd.
Hoeveel tijd
Reken op vijftig minuten voor je eerste kaart. Het prikken is de helft daarvan, het borduren van de rand een kwartier, de motiefjes tien minuten en de rest is plakken en schrijven.
Maak je er meerdere, doe het dan in stappen: eerst alle randen prikken, dan alle randen stikken, dan alle motiefjes. Met vijf kaarten ben je zo op twee uur, en je hebt een setje dat duidelijk bij elkaar hoort terwijl elke kaart een ander dier of figuur heeft.
